Haiku en Tanka

De haiku bestaat gewoonlijk uit 3 regels van ongeveer 5-7-5 lettergrepen, met verwijzing naar één van de seizoenen en gaat over de volkomenheid van het leven. De dichtvorm is in de 17e eeuw in Japan uit oudere vormen ontstaan door de wedijver tussen verschillende grote dichters, waarvan Matsuo Basho waarschijnlijk de bekendste meester is. De toepassing was toen de hokku, de aanzetstrofe voor de renga, een kettinggedicht, waaronder de tan renga of als eerste deel van de tanka. Pas aan het eind van de 19e eeuw werd door Masaoka Shiki het begingedicht hokku verzelfstandigd tot de haiku. Strikt genomen zijn daarmee de oudere gedichten van deze vorm hokku, ook al was het niet ongewoon dat het eervolle beginvers geschreven werd zonder de verwachting dat er een renga mee geschreven werd.

De klassieke haiku kiest in de regel voor vijf onderwerpen, nl. de 5 seizoenen

  • Lente
  • Zomer
  • Herfst
  • Winter
  • Nieuwjaar

De tanka is een lyrisch gedicht, bestaande uit vijf regels met doorgaans 5-7-5-7-7 lettergrepen, zonder bedoeld rijm of vastgestelde maat. De bakermat van de tanka ligt in de Japanse cultuur van de vijfde eeuw. In de tanka raakt een natuurimpressie een diep gevoel aan of valt er op een natuurlijke wijze mee samen. De tanka verwoordt hoe een natuurindruk en een eigen beleving elkaar vinden en met elkaar een gedicht vormen.